De Nederlandse aardappel

Geplaatst op

De dagen worden korter, kouder en natter. De aardappel vindt zijn weg niet langer naar zomerse salades, maar mag weer plaatsnemen in smeuïge, vette, warme stamppot. Met boerenkool, een kuiltje en veel jus. Want Nederlandser dan de aardappel wordt het niet, toch?

Nou ja, we moesten hier wel eerst wachten tot de ontdekking van Amerika, waar de knollen vandaan komen. En toen duurde het nóg een hele tijd, want de Europeanen stonden niet direct klaar om de aardappel met open armen te ontvangen. Ruim tweehonderd jaar na Columbus het Amerikaanse continent tegenkwam bliefde de Europeaan geen pieper. Het zat hem ook allemaal niet mee, want de aardappel is lid van de nachtschadefamilie waar veel giftige neefjes en nichtjes de reputatie bezoedelen, hij staat niet genoemd in de Bijbel, én smaakte eeuwen geleden wellicht ook wel anders dan nu, want in bronnen wordt de knol smakeloos, melig en waterig genoemd. De aardappelplant stond wel in botanische tuinen, maar alleen vanwege zijn mooie witte bloemetjes.

Vee kreeg op een gegeven moment wel aardappels te eten, en toen zullen de armsten in tijden van voedselschaarste hetzelfde zijn gaan doen. Langzaam ging heel Nederland voor de bijl: volgens culinair historicus Joop Witteveen aten de Zeeuwen de aardappel voor het eerst in 1697 en verspreidde het gebruik zich daarna naar het noorden. De eerste aardappel-eetvermelding in Friesland komt uit 1765. Toen de knol eenmaal groeide bleek hij een regelrecht geschenk uit de hemel: de teelt was makkelijker dan die van graan, geschikter voor het Nederlandse klimaat en de pieper bevat, in tegenstelling tot tarwe of rogge, vitamine C, B6, vezels en nog meer goede dingen. Dat wisten de 18de-eeuwers niet, maar het effect is wel duidelijk te zien in de geschiedenis. Regelmatige hongersnoden waren voorbij en volgens sommige historici en economen was de aardappel zelfs een van de belangrijkste oorzaken van de enorme Europese bevolkingsgroei na 1800.

Rond 1800 was de knol niet meer weg te denken – een Amsterdammer uit de lagere sociale klasse at er gemiddeld 200 kilo per jaar van. Alleen met wat azijn of reuzel als je arm was (zoals De Aardappeleters van Van Gogh), of uitgebreider, als je tot de gelukkigen der welgestelden behoorde. In Het Nationaal Kookboek samengesteld door vrouwen (1893) staat bijvoorbeeld vol met recepten voor gekookte aardappelen, gesmoorde aardappelen, aardappelen met roomsaus, puree van aardappelen, gegratineerd, aardappelkroketten, aardappelpudding …

Ondanks een flinke klap van concurrenten pasta, rijst, couscous, quinoa en wat al niet meer, blijft de aardappelconsumptie stevig overeind, ook in de hedendaagse restaurantwereld. Op menukaarten zagen we onder meer truffelaardappelijs, in bruine boter gekonfijte aardappel, in klei gebakken aardappel en gekarameliseerde aardappelchips. De pieper zag, kwam en overwon!

Onno & Charlotte Kleyn

Onno Kleyn is een van de bekendste culinaire journalisten van Nederland. Hij heeft al meer dan veertig titels op zijn naam staan op het gebied van gastronomie en wijn. Boeken die heeft geschreven zijn o.a. De Grote Kleyn, een dikke bijbel barstensvol informatie over ingrediënten en technieken, maar ook over smaken, achtergronden, historie, landenkeukens en etiquette. Het boek ‘Luilekkerland’ schreef hij samen met zijn dochter Charlotte Kleyn. Daarnaast schrijft Onno voor diverse tijdschriften en verzorgt hij een wekelijkse rubriek in de Volkskrant. Charlotte Kleyn studeerde af in culinaire geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Brussel en schrijft voor Het Parool waar ze o.a. wekelijks een vaste receptenrubriek heeft. In 2018 schreef ze om de week een column in het Parool over de geschiedenis van eten (Boven Tafel). Sinds 2017 schrijft ze de vaste rubriek Eten bij… in het Archeologie Magazine en er verschenen artikelen van haar in Bouillon Magazine. Daarnaast heeft Charlotte research gedaan voor artikelen en tv-programma’s en geeft ze lezingen en af en toe culinair-historische rondleidingen door Amsterdam. Onno & Charlotte Kleyn: “Ons doel is kennis verspreiden en verhalen vertellen. Eten is niet alleen maar smaak en gezellig aan tafel zitten. De context, de achtergronden, de geografische en historische herkomst dragen bij aan de beleving. Dat geldt voor de eters maar ook voor de koks. Waarom sloegen aardappels bij ons zoveel meer aan dan in Spanje? Onze haring is niet alleen lekker: de handel daarin zorgde voor onze Gouden Eeuw.”